Het Zilvervisje

Het Zilvervisje Franjestaarten, niet geheel terecht ook wel zilvervisjes genoemd, is een “groep” van primitieve, ongevleugelde insecten waaronder de zilvervisjes (Zygentoma) en rotsspringers (Microcoryphia) vallen. De Nederlandse naam is afgeleid van de wetenschappelijke naam van het historische taxon “Thysanura” (thysan = borstel; ura = staart) waar de dieren ooit in waren ondergebracht. Er bestaat tegenwoordig grote twijfel aan of de franjestaarten een monofyletische groep vormen, maar dat doet aan de betekenis van de inmiddels ingeburgerde Nederlandse naam voor de groep niets af. In Nederland en België komen weinig soorten voor; veel mensen zullen echter wel eens een zilvervisje of een papiervisje hebben gezien. Thysanura? De Nederlandse naam “franjestaarten” kon lange tijd worden opgevat als synoniem voor een van de vele betekenissen van het taxon “Thysanura” (meestal geclassificeerd als orde), dat op zijn beurt in de betekenis van franjestaarten strikt genomen als Triplura door het leven had moeten gaan (zie onder Thysanura). Veel literatuur behandelt de dieren echter (nog) als de orde Thysanura in de subklasse Apterygota (die eveneens verouderd is). Lichaamsbouw Franjestaarten zijn enigszins dorsoventraal afgeplatte, langwerpige insecten, met drie lange staartachtige aanhangsels aan het uiteinde van het achterlijf. De monddelen zijn mandibulaat, waarbij elke mandibel tweearticulatiepunten heeft met de kopcapsule. De samengestelde ogen zijn klein of geheel afwezig en staan ver uiteen. Ocelli kunnen aanwezig zijn maar ook ontbreken. De tarsi bezitten drie tot vijf segmenten. De ‘staarten’ worden gevormd door twee cerci en een mediale caudale draad. Het achterlijf bestaat uit elf segmenten, waarvan het laatste vaak is gereduceerd. Van een echte gedaanteverwisseling is geen...

De Motmug

Mot-muggen Motmuggen (Psychodidae) zijn een familie van kleine insecten die behoren tot orde twee-vleugeligen en de onderorde muggen (Nematocera). De vleugels zijn vaak voorzien van schubben en worden in rust gespreid gehouden. De muggen lijken hierdoor enigszins op kleine vlinders waaraan de naam te danken is. Ze worden ook wel aalputmotje genoemd. Er zijn enkele bekendere soorten die zich wereldwijd hebben verspreid en leven in door de mens aangelegde infrastructuur, zoals riolen, toiletten, badkamers en andere bronnen van natte organische stoffen. De meest voorkomende soorten zijn Tinearia alternata en Clogmia albipunctata. Deze twee soorten hebben een bijna wereldwijde verspreiding. Sommige mot-muggen hebben zich gespecialiseerd en kunnen niet in door de mens aangepaste omgevingen leven. Kenmerken Volwassen mot-muggen zijn donker, het silhouet is driehoekig van vorm door de grote vleugels. Het lichaam van de plaagsoorten wordt ongeveer drie tot vijf millimeter groot. Motmuggen zijn te herkennen aan de behaarde vleugels. Deze vleugels, groter dan hun lichaam, zijn in rust in hartvorm over het lichaam gevouwen, met de kop naar onder. De lange antennes bestaan uit 13 segmenten met lange haren. Het zijn geen goede vliegers, daarom kruipen ze veel rond of maken korte springerige vluchtjes. De eieren zijn minuscuul klein, bruin of crèmekleurig. Ze worden gelegd in hoopjes van 10 tot 200 stuks. De larven zijn pootloos en worm-achtig. Ze zijn witgrijs en de uiteinden zijn verhard en iets donkerder. Ze hebben een afmeting van ongeveer 9 mm. Na de verpopping, die 20 tot 40 uur duurt, komt de volwassen motmug tevoorschijn. Levensgewoonten en levenscyclus Het volwassen individu legt zijn eieren in vervuild, troebel water of in vochtig organisch materiaal....